Home /Geschiedenis /Stadsontwikkeling / Stagnatie en verval

De lange achttiende eeuw: stagnatie en verval

Na 1670 slaat het noodlot toe. De textielindustrie loopt terug en Leiden lijdt onder pestepidemieën en de oorlog van de Republiek tegen Frankrijk. De bevolking krimpt tussen 1670 en 1815 van 70.000 naar 28.000 inwoners. Leegstaande huizen worden gesloopt. Vaak zijn het de slechtste huizen maar ook in betere buurten vallen grote gaten. In de stad ontstaat weer meer ruimte voor tuinen en binnenplaatsen. De Hortus Botanicus kan in 1736 flink worden uitgebreid.

Gemeente Leiden afbeelding
Gezicht op Steenschuur na de kruitramp, foto RAL
Kruitramp

Het dieptepunt komt in 1807. Aan het Steenschuur ontploft een kruitschip. Het gebied waar nu het Van de Werfpark en het Kamerlingh Onnesgebouw liggen, wordt in één keer van de kaart geveegd. Meer dan tweehonderd woningen worden weggeblazen. Hoewel er meteen nieuwe plannen worden gemaakt, duurt het tot na 1850 voordat ‘de Ruïne’ opnieuw wordt ingericht.

Barok

Aan het Rapenburg en de Breestraat is nog wel geld beschikbaar. Op grote schaal laten rijke Leidenaren hun gevels, interieurs en tuinen verbouwen volgens de nieuwe mode van de Barok. Het skelet van de woning wordt in veel gevallen behouden. De bouwhistoricus ontdekt regelmatig oudere constructies, muren en kappen in panden die van buitenaf veel jonger lijken. 

Herinrichting bolwerken

Na de Franse tijd worden de vestingwerken rond de stad overbodig. De wallen en bolwerken worden afgebroken. De ruimte die zo ontstaat wordt voor nieuwe doelen gebruikt. In eerste instantie wordt het gebied ingericht met begraafplaatsen en plantsoenen, vanaf het midden van de negentiende eeuw komt er industrie en woningbouw.

Gemeente Leiden afbeelding
Vestingwerken worden stadspark, foto RAL
Herinrichting bolwerk tot begraafplaats, foto RAL